Jan Harmens Krul (Amsterdam 1601/1602 - 1646) schreef pastorale liefdesliederen en toneelstukken, die hij op zijn ‘Musyck-kamer’ liet opvoeren. Als katholiek schreef hij Christelycke Offerande (1640) bestemd voor de Amsterdamse klopjes, katholieke bewust ongehuwde vrouwen.
Hij inspireerde zich op Justus de Harduwijns Goddelijcke Wenschen (1629), een vrije vertaling van Herman Hugo’s Pia Desideria (1624), en door de Imitatio Christi van Thomas a Kempis. In zes hoofdstukken, elk met een bijpassende gravure toegeschreven aan Pieter Nolpe, wijst hij zijn lezeressen hoe ze door middel van de maagdelijkheid, die ze als offerande aan God aanbieden, het mystieke hoogtepunt van de godzalige minne kunnen bereiken. Aan het einde van het werk staan twintig liederen, allemaal religieuze contrafacten, waarvan de meeste geschreven zijn op zeer populaire profane melodieën ontleend aan liefdesliederen, zoals airs de cour, maar bijvoorbeeld ook een melodie ontleend aan Vondels Gysbreght van Aemstel (1638). Bij vijf liederen staat er muzieknotatie.
De titelpagina van dit exemplaar van Christelycke Offerande ontbreekt. Op de pagina voor de gegraveerde titelpagina staat het volgende te lezen: 'Maria van den Borgh. Bid voor johanna Vierhuÿs. Geestelijke dogter.' Zo kennen we naast Jop Pollmann nog een vroegere eigenaar van dit boekje.